Het Jules Verne Genootschap publliceert met enige regelmaat een nieuwe druk van de Nederlandstalige bibliografie van Vernes werk. Voor een afbeelding van deze bibliografie, zie elders op de site van LastDodo
Jules Verne (1828-1905) was een Franse schrijver wiens werk grotendeels bestaat uit avonturenromans die de wetenschappelijke vooruitgang van de 19e eeuw weerspiegelen.
Jules Verne brak pas op 35-jarige leeftijd door met de publicatie van zijn eerste roman, Vijf weken in een luchtballon, in 1863. Uitgegeven door Pierre-Jules Hetzel (1814-1886). Het boek was meteen een groot succes, ook in het buitenland. Met de tweede roman ‘De avonturen van kapitein Hatteras’, begon de reeks Voyages extraordinaires (Wonderreizen), die 62 romans en 18 korte verhalen zou omvatten, soms in afleveringen gepubliceerd in het Magasin d'éducation et de récréation, een tijdschrift voor jongeren, of in tijdschriften voor volwassenen zoals Le Temps.
De romans van Jules Verne, die altijd nauwgezet werden gedocumenteerd, spelen zich over het algemeen af in de tweede helft van de 19e eeuw. Ze bouwen voort op de ontwikkeling van de technologieën van die tijd — Les Enfants du capitaine Grant, 1868 (De kinderen van kapitein Grant), Le Tour du monde en quatre-vingts jours, 1873 (Rondom de wereld, in tachtig dagen), Michel Strogoff, 1876 (Michael Strogoff, de koerier van de tsaar), L'Étoile du Sud, 1884 (De Zuidster), etc. — maar ook met technologieën die nog niet volledig beheerst waren of die meer fantasievol waren — Voyage au centre de la terre, 1864 (Naar het middelpunt der aarde), De la Terre à la Lune, 1865 (Van de aarde naar de maan), Vingt Mille Lieues sous les mers, 1870 (Twintigduizend mijlen onder zee), Robur-le-Conquérant, 1886 (Robur de veroveraar) etc.
Literaire beginjaren:
Tijdens bezoeken aan literaire salons kwam Jules Verne in contact met Alexandre Dumas via een beroemde handlezer uit die tijd; Chevalier Casimir d'Arpentigny. Hij raakte bevriend met de zoon van Dumas en bood hem het manuscript aan van een komedie getiteld Les Pailles rompues (De gebroken strohalmen). De twee mannen bewerkten het stuk en Dumas junior kreeg toestemming van zijn vader om het op te voeren in het Théâtre-Historique. Het was 13 juni 1850; Jules Verne was toen tweeëntwintig jaar oud.
Les Voyages extraordinaires (Wonderreizen)
In 1861, diende Verne een manuscript in van Voyage en Angleterre et en Écosse (Reis naar Engeland en Schotland), dat werd afgewezen door de uitgever Hetzel. Jules Verne’s volgende manuscript was getiteld Un voyage en l'air (Een reis in de lucht). Hetzel vroeg hem het te herwerken in een meer wetenschappelijke stijl, waarbij hij al een literair genre voor ogen had dat wetenschap moest populariseren. Jules Verne keerde enkele weken later terug met wat zijn roman Cinq Semaines en ballon (Vijf weken in een luchtballon) zou worden. Het boek werd gepubliceerd op 15 januari 1863 en was een enorm succes, zelfs buiten de grenzen van Frankrijk. De eerste druk bedroeg 2000 exemplaren en tijdens het leven van de auteur werden er 76.000 exemplaren verkocht. Het jaar daarop tekende hij een contract met Pierre-Jules Hetzel, waarin hij zich verplichtte twee delen per jaar te leveren. In 1865 legde hij zich met een nieuw contract vast op drie delen per jaar. Jules Verne stemde er ook mee in om romans bij te dragen, met name aan de Magasin d'éducation et de récréation, een tijdschrift voor jongeren. In feite zou hij veertig jaar aan zijn ‘Voyages extraordinaires’ werken. Jules Verne was een zeer productief schrijver, maar kon niet zo goed zakelijk onderhandelen. Terwijl Hetzel schatrijk werd, had Verne vaak geldzorgen (ook omdat zijn zoon veel schulden maakte).
De illustraties van Jules Vernes Voyages Extraordinaires.
Jules Vernes Voyages Extraordinaires bevatte meer dan vierduizend illustraties – gemiddeld meer dan 60 illustraties per roman, één per 6-8 pagina's tekst in de originele, in octavo gebonden, rood-gouden Hetzel-uitgaven. Sinds de publicatie van Vernes eerste roman in 1863 vormen deze Victoriaans ogende houtsneden en kaarten een integraal onderdeel van Vernes vroege sciencefictionverhalen: in die mate zelfs dat de meeste moderne herdrukken van de Voyages Extraordinaires nog steeds de originele illustraties bevatten – waarmee ze de sfeer van Vernes sociaal-historische omgeving herbeleven en dat gevoel van verre exotisme en futuristische verwondering oproepen die de oorspronkelijke lezers destijds bij deze teksten ervoeren. En toch heeft het grootste deel van de Verne-kritiek tot nu toe de cruciale rol die deze illustraties in Vernes oeuvre spelen, vrijwel genegeerd.
Er lijken vier verschillende categorieën illustraties te zijn in de Voyages Extraordinaires, die elk een andere semiotische en/of didactische functie binnen het verhaal hebben. De eerste categorie toont afbeeldingen van de hoofdpersonen van het verhaal – bijvoorbeeld portretten zoals dat van Impey Barbicane in De la terre à la lune (Van de aarde naar de maan).
De tweede categorie toont de plaatsen die door de hoofdpersonen worden bezocht en is doorgaans meer panoramisch en ansichtkaart-achtig – bijvoorbeeld de vele exotische locaties, ongewone bezienswaardigheden en flora en fauna die de helden tijdens hun reis tegenkomen, zoals die uit Vingt mille lieues sous les mers (20.000 mijlen onder zee) waarop duikers over de oceaanbodem lopen.
De derde categorie is documentair van aard – bijvoorbeeld de kaart van de poolgebieden (handgetekend door Verne zelf) voor zijn roman Les Voyages et aventures du capitaine Hatteras (De avonturen van kapitein Hatteras) uit 1864, waarop de nieuwsgierige lezer de reisroute van Hatteras en zijn bemanning kan volgen tijdens hun verkenning van het Noordpoolgebied.
De vierde categorie beeldt een specifiek moment in het verhaal uit – bijvoorbeeld het moment uit Voyage au centre de la terre (Reis naar het middelpunt van de aarde) waarin professor Lidenbrock, Axel en Hans plotseling in een onweersbui terechtkomen op een ondergrondse oceaan.
Het is ook interessant om te zien welke passages uiteindelijk worden gekozen voor weergave in Vernes romans. Meestal lijkt deze beslissing minder te zijn gebaseerd op hun belang voor de verhaallijn en meer op hun intrinsieke pedagogische waarde en/of hun potentieel om de lokale kleur, geloofwaardigheid of metaforische inhoud van het verhaal te versterken. Cruciale keerpunten in het verhaal, zoals de explosie van de gigantische olifantenlocomotief in La Maison à vapeur (Het Stoomhuis) of de bijna-botsing met een komeet in Autour de la lune (Rond de Maan], ontbreken bijvoorbeeld in de romans, terwijl tientallen relatief onbelangrijke scènes wel voorkomen – bijvoorbeeld een illustratie van Indiase slangenbezweerders uit de eerste roman of, uit de tweede, een die de frustratie van Michel Ardan weergeeft die de complexe algebraïsche berekeningen van zijn collega-astrologen probeert te begrijpen.
De plaatsing van deze illustraties in de romans van Verne is ook opmerkelijk. Hoewel ze per editie verschillen (in de originele boeken stonden ze op tegenoverliggende pagina's), staan ze vaak minstens een of twee pagina's vóór de tekst, waardoor de lezer nieuwsgierig wordt (en wordt aangemoedigd verder te lezen) en gebeurtenissen en scènes die nog komen, worden aangekondigd. Neem bijvoorbeeld de illustratie uit L'Ile mystérieuse (Het geheimzinnige eiland), waar de schipbreukelingen de Nautilus, die niet aan land kan komen, voor het eerst tegenkomen in een zeegrot op Lincoln Island. Deze illustratie is geplaatst op pagina 795. Het paginanummer tussen haakjes geeft echter aan dat deze scène eigenlijk beschreven wordt op pagina 798 van het verhaal.
Een ander gebruik van illustraties is de zeer gedetailleerde frontispices tegenover de titelpagina's van deze boeken, die een soort collage toont van scènes die in het verhaal voorkomen. Deze frontispice kan worden gezien als een zeer symbolische picturale weergave van Hetzel en Vernes doel – zoals verwoord door zijn uitgever Pierre-Jules Hetzel – om “alle geografische, geologische, fysische en astronomische kennis die door de moderne wetenschap is verzameld, in kaart te brengen.”
Het belang van deze illustraties als visuele hulpmiddelen voor de expliciete didactische intentie van Vernes Voyages Extraordinaires kan niet genoeg worden benadrukt. Het grote aantal puur educatieve illustraties in Vernes romans – illustraties die weinig te maken hebben met de fictieve gebeurtenissen in het verhaal – is soms verbazingwekkend: de vissoorten die Conseil opsomt in Vingt mille lieues sous les mers, de maanfasen in De la terre à la lune, de planeet Saturnus en zijn manen in Hector Servadac, verschillende soorten luchtballonnen en zeppelins in Robur-le-conquérant (Robur de Veroveraar, Wolkenklipper), enzovoort. En zelfs de niet-educatieve illustraties – die het fictieve verhaal weergeven – waren ook zeer leerzaam voor Franse lezers in het midden en de late 19e eeuw, vooral voor degenen die niet volledig konden lezen en schrijven. Laten we niet vergeten dat (toen Verne begon te publiceren) in 1862-1865, de inspanningen om de geletterdheid in Frankrijk te bevorderen gaande was, sinds de wet van Guizot uit 1833, maar dat er is nog veel werk aan de winkel was. Elke goede redacteur moest zijn lezers die nog geen goede leesvaardigheid hadden bereikt, zoveel mogelijk bijstaan.
Maar het moet ook gezegd worden dat de aanwezigheid van dergelijke illustraties in Vernes werken een tweesnijdend zwaard was: hoewel ze de didactische dimensie van zijn romans versterkten, droegen ze er ook toe bij dat zijn hele oeuvre door de elite van de Franse literaire smaak van die tijd als 'paraliterair' werd beschouwd, die ze alleen geschikt achtten voor kinderen of voor de minder ontwikkelde massa.
Uit hun correspondentie blijkt dat Verne, Hetzel en de illustratoren van deze boeken zeer nauw met elkaar samen werkten. Er was
gedurende het hele productieproces voortdurend contact tussen hen. In een brief uit 1868 van Verne aan Hetzel over Vingt mille lieues sous les mers schrijft Verne bijvoorbeeld: "Ik heb de tekeningen van Riou ontvangen. Ik heb een aantal suggesties die ik hem per omgaande zal sturen. Ik denk dat hij de mensen veel kleiner en de kamers veel groter moet maken. En hij moet nog veel meer details toevoegen... Trouwens, het was een uitstekend idee om kolonel Charras als model te gebruiken voor kapitein Nemo. Daar had ik zelf ook aan moeten denken.”
Maar wie waren deze illustratoren?
Wie waren deze getalenteerde kunstenaars wier suggestieve afbeeldingen Vernes Voyages Extraordinaires tot leven brachten en miljoenen 19e-eeuwse lezers in staat stelden om ‘moedig te gaan’ waar ze nog nooit eerder waren geweest? Wie waren deze personen die zo'n grote rol speelden in Vernes wereldwijde bekendheid en de blijvende populariteit van dit nieuwe literaire genre?
Het moet van meet af aan gezegd worden dat er zeer weinig over hen bekend is. En nog minder is bekend over de tientallen graveurs die de schetsen van de kunstenaars omzetten in de gedetailleerde houtgravures en metalen drukplaten die de vele illustraties in deze boeken opleverden, en wier namen – Henri Theophile Hildibrand (1824-97), Pannemaker,, Barbant, Prunaire, Dumont, Coste, Lavallé, Meaulle, en co. – soms prominent op de voltooide illustraties staan, samen met die van de illustrator zelf. Neem bijvoorbeeld de illustratie uit Cinq semaines en ballon, geïllustreerd door Riou en gegraveerd door Hildibrand, wiens handtekening in de rechterbenedenhoek te vinden is; of die uit Voyage au centre de la terre, ook geïllustreerd door Riou maar gegraveerd door Pannemaker, die zijn werk meestal signeerde met “PANN” (soms met de “N”s achterstevoren geschreven, in spiegelbeeld).
Edouard Riou (1833-1900) Hij illustreerde Vernes vroegste en beroemdste romans, waaronder Cinq semaines en ballon, Voyage au centre de la terre, Les Voyages et aventures du capitaine Hatteras, Les Enfants du capitaine Grant, evenals de eerste elf hoofdstukken van Vingt mille lieues sous les mers (de overige hoofdstukken werden geïllustreerd door Alphonse de Neuville). Verne zelf poseerde voor het portret van professor Pierre Aronnax. Vóór en na zijn samenwerking met Hetzel specialiseerde Riou zich jarenlang in landschapsschilderkunst en herdenkingswerken (de opening van het Suezkanaal, het huwelijk van de dochter van de Russische tsaar, enz.). Als leerling van de beroemde Franse kunstenaars Daubigny en Gustave Doré was hij in de jaren 1850, 1860 en 1870 zeer bekend in Frankrijk. Hij leverde illustraties voor een breed scala aan Franse boeken en populaire tijdschriften gedurende deze periode, zoals Dumas' Le Comte de Monte-Cristo, Scotts Ivanhoe en Waverley, Hugo's Notre Dame de Paris en tijdschriften als Tour du monde, Illustrated Times en La Chronique illustrée.
Riou's werk voor Vernes Voyages Extraordinaires is als volgt beschreven: "Riou's tekeningen zijn rijk aan licht en de karaktertrekken van
zijn personages hebben een krachtige expressie. Riou slaagt erin zich artistiek aan te passen aan de realistische weergave van de vele fantastische locaties van de fictieve geografie van Verne: de mist en de gletsjers, de schaduwen in de aardkorst, de verlaten en uitgestrekte stranden, en de vele watermassa's en hun beweging...
Alphonse de Neuville (1835-1885) was een andere zeer bewonderde schilder in Frankrijk in deze periode. Als jongeman was hij een leerling van Eugène Delacroix, die met Riou samenwerkte aan Vingt mille lieues sous les mers – alle illustraties vanaf hoofdstuk 12 zijn van zijn hand. Neuville was ook verantwoordelijk voor een klein aantal illustraties in de bestseller-roman Le Tour du monde en 80 jours uit 1873.
Henri de Montaut (1840?-1905?) hielp Riou bij het illustreren van Vernes eerste twee romans, Cinq semaines en ballon en Les Voyages et aventures du capitaine Hatteras. Hij is echter vooral bekend als de enige illustrator van Vernes bestseller De la terre à la lune uit 1865 en als maker van enkele van de meest gevierde vroege sciencefiction-illustraties. Montaut was een succesvol cartoonist voor tijdschriften en specialiseerde zich ook in portretten – zoals in zijn weergave van de drie astronauten uit Vernes romans: Barbicane, Nicholls en Michel Ardan. De laatste was overigens gebaseerd op het evenbeeld van de beroemde Parijse fotograaf en waaghals Nadar, wiens geestige persoonlijkheid en naam (via een anagram) door Verne in dit werk onsterfelijk werden gemaakt.
Emile-Antoine Bayard (1837-1891) was een populaire portretschilder. Hij illustreerde een aantal literaire werken voor jongeren van Alphonse Daudet, Jules Sandeau, Hector Malot, de Comtesse de Ségur, en verschillende klassieke romans zoals Les Misérables van Victor Hugo. Maar hij is waarschijnlijk het meest bekend als de illustrator van Un Drame dans les airs (Een drama in de lucht) in Vernes verhalenbundel Le Docteur Ox (En vooral voor het vervolg uit 1872 op Vernes roman De la terre à la lune, getiteld Autour de la lune. Zijn werk is als volgt beschreven: "Zijn gravures die de effecten van gewichtloosheid op de pionier-astronauten laten zien; de verkenning van het maanoppervlak; en, bovenal, de 'spashdown'-afbeelding behoren tot de beroemdste illustraties in de sciencefiction."
Jules Ferat (1819-1889?) was in Parijs vooral bekend om zijn afbeeldingen van het fabrieksleven, arbeiders en hun machines, en het milieu van de zware industrie. Hij was verantwoordelijk voor de illustraties in vele fictie- en non-fictieboeken van auteurs als Eugène Sue, Louis Figuier, Mayne-Reid, Edgar Allan Poe en Victor Hugo, van begin jaren 1850 tot eind jaren 1880. Hij was ook de enige illustrator voor een aantal romans van Verne, zoals Une Ville flottante (Een drijvende stad), Les Forceurs du blocus (De Blokkadebrekers), Les Aventures de trois Russes et de trois Anglais (Avonturen van drie Russen en drie Engelsen), Michel Strogoff en Les Indes noires (Het zwarte goud). Hij was ook mede-illustrator, samen met Alfred Quesnay de Beaurépaire (1830-?), van Le Pays des fourrures (Het land der buitenste duisternis) en illustreerde twee korte verhalen, “Martin Paz” en “Un Drame au méxique” (Een drama in Mexico). Maar Ferats ware meesterwerk was de reeks illustraties die hij maakte voor Vernes roman L'Ile mystérieuse uit 1874. Ferat is ook een meester in clair-obscur.
Drie kunstenaars kregen van Hetzel de opdracht om elk één roman uit Vernes oeuvre te illustreren:
Henri Meyer (1844-1899) voor Un Capitaine de quinze ans (Een kapitein van 15 jaar)
Paul-Dominique Philippoteaux (?-1903) voor Hector Servadac. Hij was de zoon van een andere beroemde Franse kunstenaar, was samen met Benett ook verantwoordelijk voor de illustraties in Vernes aardrijkskunde- en geschiedenisboeken Découverte de la Terre (1868) en Les Grands Navigateurs du XVIIe siècle (1879).
Georges Tiret-Bognet (1855-1930?) voor Famille-sans-nom (De familie zonder naam).
Léon Benett (1839-1917) was verreweg de belangrijkste illustrator van Vernes Voyages Extraordinaires, gemeten naar het aantal illustraties: bijna de helft van de ruim 60 romans in deze reeks, bijna 2000 illustraties. Hij was een goede vriend van zowel Verne als Hetzel. Zijn echte naam was Benet (met één 't'), maar hij voegde er een 't' aan toe zodat zijn naam niet zou lijken op het Franse woord voor dwaas of simpele ziel.
Zijn composities zijn wat meer onpersoonlijk. Dankzij de medewerking van Alphonse de Neuville is Vernes Le Tour du monde en 80 jours
iets beter. Deze illustrator leverde bijvoorbeeld het uitstekende portret van Phileas Fogg en een tamelijk fraai portret van Passepartout. Benetts weergave van de belangrijkste scènes in de roman is daarentegen steevast wat banaal en saai... Maar dit is het werk dat Jules Verne wereldberoemd maakte.
De romans van Jules Verne's Voyages Extraordinaires vormen een belangrijk sociaal-historisch-culturele bron voor het begrijpen van het begin van ons moderne tijdperk – niet alleen vanwege hun veelbesproken literaire status als proto-sciencefiction, maar ook vanwege hun suggestieve illustraties. De verschuiving van een 19e-eeuws naar een vroeg 20e-eeuws wereldbeeld is evident, zowel in de gestileerde inhoud van deze afbeeldingen – de kledingstijl, de gezichtsbeharing, de Victoriaanse 'droommachines', de weergave van wetenschappers als zegevierende helden, enz. – als in hun daadwerkelijke publicatievorm, aangezien de technologie zelf evolueerde van houtsneden naar halftoon-fotolithografie. Deze opmerkelijke verzameling vroege sciencefiction-illustraties is dan ook een levend bewijs van het einde van een tijdperk – literair, ideologisch en technologisch.
“De illustraties in Vernes boeken zijn geen lithografieën. Het zijn houtsneden die zijn gereproduceerd met behulp van elektrotypes (een lithografie is een totaal ander drukproces waarbij – zoals de naam al aangeeft – een natte steen, een vettig krijtje en waterafstotende inkt worden gebruikt; tegenwoordig wordt het woord ’lithografie' natuurlijk breder gebruikt in de drukkerij-industrie om een drukproces te beschrijven waarbij metalen platen de inktafstotende stenen vervangen, die kunstenaars nog steeds gebruikten – het principe blijft echter hetzelfde). Er waren verschillende manieren om een houtsnede te reproduceren. Je kon natuurlijk rechtstreeks van het blok drukken, maar alleen als de oplage klein was, omdat het hout snel zou verslechteren bij gebruik. (Kophout van buxus was het meest gebruikte hout; omdat buxushout niet in erg grote stukken verkrijgbaar is, werden blokken aan elkaar vastgeschroefd om een oppervlak te creëren voor zeer grote illustraties, waar je vaak de verticale en horizontale naden kunt zien. Om tijd te besparen, braken graveerbedrijven zo'n blok vaak op en lieten elk afzonderlijk stuk door een andere graveur bewerken. In de beginperiode schilderde of tekende de illustrator zijn illustratie rechtstreeks op het hout. (De originele tekening zou natuurlijk door het graveerproces verloren gaan. Later zou de afbeelding
fotografisch op het blok worden overgebracht door het houtoppervlak te bedekken met een lichtgevoelige emulsie.) De snede kon in metaal worden gereproduceerd door deze te galvaniseren en vervolgens een nieuwe galvanische kopie daarvan te maken (om een 'positief' te creëren) Of door een 'mat' van papier-maché te maken en vervolgens een 'positief' met een galvanische plaat te nemen. Dit maakte niet alleen grotere oplages mogelijk, maar stelde de uitgever ook in staat om een onbeperkt aantal kopieën van de originele drukplaat te maken (die Hetzel bijvoorbeeld naar de uitgeverijen Scribner's of Sampson Low zou sturen).
Bron: JULES VERNE’S ILLUSTRATORS by Arthur B. Evans











































![Het stoomhuis [1]](https://assets.lastdodo.com/image/ld_thumb3/plain/assets/catalog/assets/2015/11/21/8/d/8/pdf_8d8821a2-9054-11e5-9ec0-35073ca75035.jpg)


![Het land der buitenste duisternis [2]](https://assets.lastdodo.com/image/ld_thumb3/plain/assets/catalog/assets/2021/11/11/7/0/5/pdf_705d5226-4342-11ec-9410-22e707a3def1.jpg)














