In 1955 publiceerde Paul Deliège zijn eerste strips “Félicien et les Romanis” en “Le Père Bricole” in het Belgische dagblad Le Soir.
Het eerste contact met de stripwereld voor Paul Deliège was een brief die hij in maart 1957 aan Raymond Macherot (De maker van Chlorophyl) stuurde. Deze nodigde hem bij hem thuis uit om hem te ontmoeten. Toen hij zijn realistische tekeningen zag, adviseerde hij hem om voor humoristische tekeningen te kiezen en zijn werk aan het blad Kuifje te presenteren. Hij werd echter afgewezen door de redactie, die hem vertelden terug te komen als zijn tekening verbeterd waren.
Hij trad in 1959 in dienst bij het tekenatelier van Uitgeverij Dupuis als letteraar, nadat hij zijn eerste tekeningen voor dezelfde uitgever had gemaakt: in Le Moustique (in 1954) en vervolgens in Risque-Tout (in 1956). Daarna zette hij zijn eerste stappen in het stripverhaal bij Robbedoes met “Félicien” (1958) en vervolgens “Théophile et Philibert” (Theo en Pieterjan) (waarvan bepaalde scenario’s te danken zijn aan de pen van A. Raymond, alias Vicq), uit 1960.
Met uitzondering van zeer korte escapades (pagina's met grappen of tekeningen) in Kuifje (met een verhaal over drie platen ondertekend met Podel in 1958 bijvoorbeeld), Total Journal, (A Suivre) en Saucysson Magazine, zal Paul Deliège altijd trouw blijven aan Robbedoes, tot aan zijn pensionering in 1996.
Paul Deliège is ook de maker van talloze mini-verhalen (Zie: Robbedoes microverhalen) en complete verhalen: “Bobo” (Jaap), samen met Maurice Rosy 1961, “Sosthène" (Sigismond) in 1961, "Hercule et les autres " in 1963, "Félix" en "Cabanon" in 1965, “ Belloudi” in 1966, dat hij signeerde met Célestin, “Superdingue” van 1967 tot 1972…), twee “Belles histoire de l'Oncle Paul” in 1963 en 1970 (De verhalen van Oom Wim), een langer verhaal getiteld “Le Casque aux gants de planches” (met Maurice Rosy op scenario, in 1963) en de serie “Le Trou du souffleur” (1987-1994).
Hij is ook de scenarioschrijver van enkele (mini)verhalen van “Youk en Yak” (tekeningen van Noël Bissot, in 1968), “Petit Cactus” (tekeningen van Louis Salvérius, in 1968) en “Sam en de Beer” (tekeningen van Lagas , van 1968 tot 1978), “Baron” (tekeningen van Noël Bissot, in 1970), “Homard Vigilant” (tekeningen van Didier Comès, in 1971), “Patate et Tatou” (tekeningen van Guy Bollen, in 1972), “Croquemitron” (tekeningen van Noël Bissot, in 1972), “Bonaventure” (tekeningen van Mitteï, in 1980), “L'Invahisseur » (tekeningen van Deth, alias David De Thuin, in 1994) en een grap uit “Zappeurs” van Serge Ernst (in 1996).
Als zijn vriend Raymond Macherot last krijgt van een depressie schrijft Deliège enkele verhalen voor de strip Snoesje (Sibylline) tussen 1971 en 1976:
Snoesje in Gossiemijne (8 pagina’s), Sibylline en de piraten (38 pagina’s), Zakje neemt de vlucht (14 pagina’s), Snoesje vliegt weg (44 pagina’s), Snoesje en de koekoek (5 pagina’s), Snoesje en de zwarte dassen (44 pagina’s), Snoesjes Kerstmis (2 pagina’s).
Paul Deliège blijft vandaag echter vooral bekend om zijn strip Jaap (Bobo), die hij samen met Maurice Rosy maakte, maar ook voor zijn kleine demonische domoren, De Krobbels (Les Krostons).
In 1969 hield Paul Deliège de strip Jaap (Bobo) voor gezien vanwege een geschil met Maurice Rosy. Destijds werkte die samen met Maurice Kornblum, die de platen van de serie Jaap mede ondertekende zonder eraan deel te nemen. Ontevreden over dit proces stopte Paul Deliège. Maurice Rosy ging daarna alleen verder met de serie, maar vijf jaar later was hij het beu en verkocht zijn rechten aan uitgeverij Dupuis.
Paul Deliège moest nu iets nieuws bedenken. Hij had een idee over vreemde kleine wezentjes, die tot leven komen op de tekentafel van een tekenaar en die naar eigen goeddunken van de tweede naar de derde dimensie over kunnen gaan... en dan ontsnappen en de boel op stelten zetten. Onze auteur dacht er aan om deze komische antihelden in een realistisch kader te plaatsen.
Hij vertelde hierover: “Op een dag tekende ik mannetjes op mijn tekentafel, die nog behoorlijk ver van de “Krobbels” afstonden zoals we ze nu kennen; en ik zei tegen mezelf dat het leuk zou zijn om er een stripverhaal van te maken... En daarna dacht ik: “Waarom vertrouw je ze niet toe aan een realistische tekenaar?. Dus belde ik Arthur Piroton, legde hem het idee uit en vroeg of hij akkoord ging met het maken van deze serie... Vervolgens schreef ik het verhaal dat Arthur tekende, in ieder geval de hele realistische kant, en ik bewaarde de humoristische kant voor mezelf: Dat is te zeggen alleen de Krobbels zelf.
Het verhaal De dreiging van de Krobbels (“Le Menace des Krostons”) werd gepubliceerd in Robbedoes in 1968 (van nr. 1589 tot nr. 1610), 44 pagina’s verschenen in 1972 in de serie “Okay” van Dupuis.
Deliège en Piroton kozen voor het pseudoniem van Max Ariane, dat was geïnspireerd door Marc Arian, een populaire Belgische zanger. “Op een dag zag ik Marc Arian op tv en ik belde hem om te vragen de hij het erg zou vinden als ik hem als model voor een stripverhaal zou gebruiken. Ik ging naar hem toe met de eerste pagina's van het script en vertelde hem het verhaal. Hij stemde meteen toe, geen probleem.
Na een paar korte verhalen waarin op nogal amusante wijze onze “Krobbels” de hoofdrol spelen (de naam Kroston komt van crouton in het Waals, maar wat ook schreeuwpartij betekent) verschenen de 44 pagina's van de tweede aflevering pas drie jaar later in Robbedoes ( van nr. 1752 tot nr. 1768 van 1971):
De Krobbels komen van de pers (Les Krostons sortent de presse) en is volledig geproduceerd door Paul Deliège.
In feite liet Arthur Piroton “De Krobbels” en hun wandaden over in de grafische handen van hun schepper en scenarioschrijver, omdat Maurice Tillieux intussen speciaal voor hem een scenario had bedacht over een nieuwe stripheld: “Jess Long”, een Amerikaanse politieagent van de FBI “.
Paul Deliège zei: “Ik had het tweede scenario al geschreven toen Arthur moest kiezen tussen “Jess Long” en onze serie. Ik had de toestemming van de redactie al gekregen en het was dus noodzakelijk om door te gaan. Dus ik zat een beetje in het nauw en moest realistisch tekenen... Ik heb echt gezweet om deze tweede aflevering te maken...' Maar na dit verhaal ging hij over op een volledige humoristische stijl.
Pas in 1996 als zal het verhaal in album verschijnen bij Point Image-JVDH editions (met een oplage van slechts 1000 exemplaren in zwart en wit) dat daarna opnieuw wordt uitgegeven in het eerste deel van de volledige uitgave van Hibou.
Ondanks het succes van deze fantasievolle en zeer originele serie, geeft Paul Deliège uiteindelijk de avonturen van de “Krobbels” op ten gunste van de serie “Jaap” die hij zojuist weer volledig had terug gekregen. Hij gaf duidelijk de voorkeur aan dit laatste personage met wie hij had veel meer plezier bij het maken van pagina's met grappen en korte verhalen.
Deliège verklaarde in 1985: “Ik zou het best zonder de “Krobbels” kunnen doen, maar ik ga door omdat de lezers om meer vragen….
Vlak voor zijn dood gaf hij nog toe dat hij de rage voor Krobbels eigenlijk nooit echt heeft begrepen.




























































