Godfried Bomans (1913-1971) heeft meer dan zestig boeken en vele andere geschriften op zijn naam staan. Hij werd in Nederland bij het grote publiek populair als literair schrijver door zijn roman Erik of het klein insectenboek. Populaire werken na de Tweede Wereldoorlog waren de strip Pa Pinkelman in de Volkskrant, en later zijn columns op de voorpagina van die krant, zijn stukken in Elsevier, en zijn radio- en tv-optredens. Hoewel in de jaren 1960 nog niet veel schrijvers op tv te zien waren, verscheen hij wel geregeld in allerlei programma's, waardoor hij ook bekend werd bij kijkers die zijn boeken en columns niet lazen.
Bomans was een groot kenner van het literaire werk van Charles Dickens. Hij speelde een belangrijke rol bij het tot stand komen van de Nederlandse vertaling van diens complete oeuvre, dat in de jaren 1950 in een reeks pocketboeken door uitgeverij Het Spectrum werd uitgegeven. De langverwachte biografie over Dickens heeft Bomans echter nooit geschreven. Wel vertaalde hij Dickens verhaal ‘A Christmas Carol’ voor een stripbewerking, getekend door H.M. Brock, dat verscheen in 1971.
Bomans stond zowel bekend om zijn lichte humor, waarvoor hij zelf graag de term "scherts en jokkernij" bezigde, als om zijn ernst en bedachtzaamheid. Hij heeft tijdens zijn leven geen officiële erkenning gekregen in de vorm van een literaire prijs.
In mei 1945 toen De Volkskrant terugkeerde na de oorlog. Naast de tekenaar Carol Voges was er nog een andere medewerker in de eerste uitgave: de 32-jarige auteur Godfried Bomans. Bomans was destijds vooral bekend van zijn kinderboek 'Erik, uit het Klein Insectenboek' (1941), dat genoeg dubbelzinnigheden bevatte om ook volwassenen te bekoren (in 1990 werd het bewerkt tot een stripverhaal door Luc Morjaeu). Zijn populariteit steeg dankzij een eindeloze reeks columns, essays en korte verhalen. Alles geschreven in een kenmerkende droge, geestige en ironische stijl, waarin hij speelde met ouderwetse woorden en uitdrukkingen. Als nieuwe kunstredacteur van De Volkskrant reorganiseerde Bomans de kunstafdeling van de krant en koos hij specifiek voor theater- en balletrecensies, omdat deze kunstvormen nog aan het herstellen waren van de recente oorlogsgeweld en daarom niet te veel van zijn tijd in beslag zouden nemen. Omdat Bomans nauwelijks iets naar de redactie stuurde en zo vaak mogelijk thuisbleef, begonnen de hogere leidinggevenden te klagen. Hoofdredacteur Joop Lücker ontsloeg Bomans, maar gaf hem een taak die hem beter lag: een humoristische krantenstrip, geïllustreerd door de 20-jarige Carol Voges. In een interview met Stripschrift in 1999 herinnerde Voges zich zijn eerste ontmoeting met Bomans in diens huis in Haarlem, waar de schrijver ziek in bed lag. Tijdens de treinreis terug naar Bussum maakte Voges de eerste schetsen van Pa Pinkelman en zijn mollige vrouw Tante Pollewop op de achterkant van een envelop, naar het voorbeeld van zijn eigen ouders.
Pa Pinkelman
Een embryonale versie van Bomans' 'Pa Pinkelman' verscheen in juni 1945 onder de titel 'Het Knekelschrift'. Hij wilde de protagonist aanvankelijk 'Pa Knekelbuik' noemen, maar Lücker vond dit "te macaber" klinken. De tweede suggestie, 'Pa Knetterteen', was ook niet erg populair. Desondanks ging de serie op 11 november 1945 van start onder de naam 'De Avonturen van Pa Knetterteen'. Na ongeveer zes afleveringen werd Knetterteen in de hoofdrol vervangen door zijn neef, Pa Pinkelman. Knetterteen verliet het verhaal definitief op 26 januari 1946 door in een tram te stappen (midden in de woestijn, overigens) en nooit meer terug te keren. De naam 'Pa Pinkelman' bleef hangen, waarbij het woord "pinkelen" verwijst naar de manier waarop het personage magie beoefende.
Net als de meeste Nederlandse krantenstrips uit die tijd, werd De Avonturen van Pa Pinkelman gepresenteerd in tekstvorm, met de tekst onder de afbeeldingen. Het verhaal draait om Pa Pinkelman, een eigenaardige tovenaar met een magische bolhoed en een voorliefde voor sigaren. Op een dag wordt hij ontboden door meneer Flens, een rijke miljardair wiens verwende zoon Kareltje op de intensive care ligt, "omdat hij zijn pink heeft bezeerd". Van Pinkelman wordt verwacht dat hij de jongen geneest, maar in plaats daarvan neemt hij hem mee op een reis rond de wereld. Zijn vrouw, tante Pollewop, gaat mee, evenals Kareltje’s zwarte Afrikaanse slaaf (en later beste vriend) Flop. Lezers volgden hen tijdens vele absurde avonturen in exotische oorden. Kareltje’s drie bedienden zetten echter alles op alles om hen op te sporen en hun "jonge meester" terug naar huis te brengen.
'Pa Pinkelman' is een parodie op de typische naïeve avonturenverhalen van voor en na de Tweede Wereldoorlog, die zich afspelen in exotische landen. Bomans nam literaire clichés en stereotypen en overdreef ze tot in het absurde. Pinkelman is de typische wijze tovenaar, maar tegelijkertijd kan hij alleen op bepaalde dagen van de week toveren. Terwijl anderen hem bewonderen als een "wijze" man, is hij in werkelijkheid naïef, koppig en arrogant. Pollewop is al even dom.
Het tweede 'Pa Pinkelman'-verhaal, De Avonturen van Tante Pollewop, ging van start in oktober 1946 en liep tot januari 1947. Het volgt Pollewop terwijl ze haar man helpt ontsnappen uit een psychiatrische inrichting. Onderweg vergezellen Kareltje en Flop hen en bezoeken ze Siberië, Tibet, China, Japan en Java, waar ze de Dalai Lama en de keizers van China en Japan ontmoeten.
Het derde verhaal, Pa Pinkelman In De Politiek, liep van november 1947 tot juli 1948. Pinkelman stort zich in de politiek met een nogal vaag "plan". Hij wordt lid van het Nederlandse parlement en gaat vervolgens naar het VN-hoofdkwartier in Washington D.C. Dit geeft Bomans een excuus om de overheidsadministratie op de hak te nemen en er een cameo-festijn van te maken.
In december 1951 verscheen een vierde verhaal, De Onvergetelijke Pa Pinkelman, waarin bleek dat de drie bedienden helemaal niet dood waren. Ze hadden zich slechts vermomd en Pinkelman en Pollowop gevangen gehouden in een rusthuis. Het echtpaar ontsnapt naar Afghanistan en Rusland. Onderweg ontmoeten ze verschillende politici uit eerdere afleveringen, maar ook nieuwe, zoals de Nederlandse communistische politicus Henk Gortzak, de Perzische premier Mohammed Mossadeq en de sjah, de Britse premier Winston Churchill, de Sovjetleider Joseph Stalin en de pas verkozen Amerikaanse president Dwight D. Eisenhower. Uiteindelijk besluit het echtpaar zich te vestigen op het Nederlandse eiland Rottum, waarmee de saga op 25 maart 1952 tot een einde kwam.
Dick Parker
Een andere uitstap naar het stripmedium was Dick Parker: Het Geheim van de Roestige Spijker, getekend door Rein van Rein van Looy (verschenen in de bundel Capriolen 1951), een parodie die Godfried Bomans maakte op de 'Dick Bos’-stripboeken van Alfred Mazure. Dick Bos was een geharde rechercheur die niet bang was om zijn vuisten te gebruiken. De 'Dick Bos'-pocketromans waren erg populair bij jonge lezers, maar moraalridders bekritiseerden de verhalen als gewelddadige pulp, wat jongeren ervan weerhield om 'echte' romans te lezen. Eind jaren 40 en gedurende de hele jaren 50 was de mediastorm tegen 'Dick Bos' en soortgelijke stripboeken enorm, waardoor ‘de strip’ een sociaal stigma kregen waarvan het medium zich in de daaropvolgende decennia maar ternauwernood herstelde. Bomans had echter geen problemen met strips. Hij had immers al een stripverhaal voor de krant Het Parool geschreven, 'De Avonturen van Pa Pinkelman’. Hij vond alle mediahype en heksenjachten absurd, maar het inspireerde hem wel om 'Dick Bos' te parodiëren en moraalridders te laten zien hoe overdreven hun kritiek op prentenboeken en strips was.
Het verhaal volgt de "grote detective Dick Parker" in een "educatief en constructief stripverhaal". Het verhaal begint wanneer Parker wordt gevraagd om "alweer een moordmysterie" te onderzoeken, dat zijn collega's niet kunnen oplossen, "omdat ze idioten zijn". Gedurende het verhaal verwijst Bomans af en toe naar personages en situaties uit niet-bestaande "eerdere afleveringen". Het aantal doden, de actiescènes en het geweld worden op de meest absurde manieren weergegeven. Parker is blijkbaar in staat om vanuit een rijdende auto door het raam van een rijdende trein te springen. Zelfs tijdens gevechten raakt hij nooit ernstig gewond, ondanks dat hij met een houweel wordt geraakt. Hoewel de toon humoristisch is, beeldt Van Looy het geweld op een veel gruwelijker manier uit dan de originele 'Dick Bos'-verhalen. We zien bloedende lijken en in een bijzonder huiveringwekkende scène wordt een man in tweeën gespleten, waardoor zijn skelet en ingewanden zichtbaar worden. De strip werd in afleveringen gepubliceerd in het tijdschrift Elsevier en later gebundeld in Bomans' boek 'Capriolen' (1953). Het verhaal werd echter weggelaten uit latere herdrukken, toen 'Dick Bos' veel van zijn actualiteit had verloren. Een vreemde beslissing, aangezien het verhaal zeer vermakelijk is, zelfs als je het oorspronkelijke onderwerp van de parodie niet kent.
Bron: Lambiek Comiclopedia en Wikipedia











