Liège (Nederlands: Luik; Duits: Lüttich; Waals: Lîdje) is de hoofdstad van de Belgische provincie Liège. De stad ligt aan de Maas, ongeveer 30 kilometer stroomopwaarts van Maastricht, op de plaats waar de Ourthe in de Maas uitmondt. Door Liège lopen twee Maasarmen; in de oude stad is een vroegere rivierarm gedempt.
De naam Liège is van Germaanse oorsprong en wordt gereconstrueerd als liudik, afgeleid van liudiz, dat “mensen” of “volk” betekent. Verwante woorden bestaan nog in het Nederlands (lui, lieden) en het Duits (Leute). In middeleeuwse bronnen komt de naam voor als Leodicum en Leodium (Latijn) en als Ludic en Ludeke in het Middelnederlands.
Halverwege de twintigste eeuw was Liège het hart van de Waalse mijnbouw en staalindustrie. Deze sectoren brachten grote welvaart, maar hun latere neergang veroorzaakte economische problemen die de stad en haar omgeving sterk hebben beïnvloed.
Liège telt ongeveer 198.000 inwoners en is daarmee de vierde grootste gemeente van België. Ongeveer 30.000 inwoners hebben een buitenlandse nationaliteit. Het volledige stedelijke gebied, met voorsteden zoals Seraing, Saint-Nicolas, Ans, Herstal en Flémalle, telt circa 600.000 inwoners.
De stad draagt de bijnaam La Cité Ardente (De Vurige Stede), ontleend aan de gelijknamige historische roman van Henri Carton de Wiart uit 1904.
Tot 1795 werd Liège bestuurd door prins-bisschoppen. Het prinsbisdom omvatte het grootste deel van de huidige provincie Luik en de zuidelijke helft van de huidige provincie Namen. In 1366 verwierven de bisschoppen ook het graafschap Loon, dat grotendeels overeenkomt met de huidige provincie Belgisch Limburg. Liège was de belangrijkste van de 23 zogenoemde Goede Steden van het prinsdom.
De geschiedenis van de stad wordt gekenmerkt door conflicten tussen de stedelijke bevolking en haar bisschoppen. Ter verdediging kreeg Liège stadsmuren en werd op een heuvel een citadel gebouwd. In 1468 werd de stad tijdens zo’n machtsstrijd zwaar gestraft door de Bourgondische hertog Karel de Stoute; ongeveer een kwart van de toenmalige bevolking van 20.000 inwoners kwam om.
Hoewel de Bourgondische hertogen later vrijwel alle Nederlanden verenigden, bleef het prinsbisdom Liège een onafhankelijke staat. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog probeerden de bisschoppen neutraliteit te bewaren. De stad bleef gespaard van de Beeldenstorm, al werd zij in 1568 drie dagen vergeefs belegerd door Willem van Oranje. In deze periode groeide Liège uit tot een belangrijk centrum van metaal- en wapenproductie.
In 1794, na de verovering door Franse revolutionaire troepen, sloopten opstandige burgers de gotische Sint-Lambertuskathedraal uit woede over het bisschoppelijk bewind. De vrijgekomen plek vormt nu het Place Saint-Lambert. In de negentiende eeuw werd de Sint-Pauluskerk tot kathedraal verheven en in 1887 begon de bouw van de fortengordel rond de stad.
In de eerste helft van de twintigste eeuw organiseerde Liège drie wereldtentoonstellingen (1905, 1930 en 1939). Van 5 tot 15 augustus 1914 vond rond de stad de eerste veldslag van de Eerste Wereldoorlog plaats. Het onverwacht taaie verzet van de Luikse forten vertraagde de Duitse opmars en kreeg wereldwijde aandacht. Liège werd onderscheiden met het Grootkruis van het Legioen van Eer en was bovendien de eerste stad ter wereld die vanuit de lucht werd gebombardeerd, door een Duitse zeppelin.




























































