Albert Camus was naast Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir een van de leidende figuren van het existentialisme. Zijn denken verschilt echter van dat van Sartre waar het de aard van het bestaan betreft: bij Camus staat veel meer het lichamelijke centraal, waar Sartre zich op het intellectuele bestaan toelegde.
(Foto: Albert Camus en Maria Casarès, aan wie hij 15 jaar lang liefdesbrieven schreef, 1944-1959)
Jonge jaren:
Albert Camus werd geboren in een Frans-Algerijns (pied noir) gezin. Zijn moeder was van Spaanse afkomst. Vader Lucien (geb. 1885), stierf in de Slag bij de Marne in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Camus leefde bij zijn grootmoeder in armoedige omstandigheden met zijn moeder, Catherine Hélène Sintès, geboren 5 november 1882 in Birkhadem (departement in Algerije, tegenwoordig Wilaya d'Alger) Zij was gedeeltelijk doof, kon niet lezen of schrijven: ze verstond iemand alleen door te liplezen, had een zeer kleine woordenschat van "400 woorden" en communiceerde met gebaren die specifiek waren voor haar familie (ook gebruikt door haar broer Étienne). "Afhankelijk en verloren in het dagelijks leven, weinig gehoord en weinig begrepen, veroordeeld tot rudimentaire en banale uitwisselingen, is ze afgesneden van de wereld van anderen en heeft ze geen toegang tot cultuur of amusement". De ervaring was pijnlijk voor Albert, die nooit ophield deze vreselijk pijnlijke stiltes te herbeleven. Zijn werk blijft de sporen dragen van het onuitsprekelijke, van het onvermogen om te spreken of de machteloosheid om je stem te laten horen. (Zij overleed dinsdag 20 september 1960 te Alger)
In 1923 werd Camus toegelaten tot een lyceum en uiteindelijk tot de Universiteit van Algiers. Maar in december 1930, na een verontrustend ophoesten van bloed, stelden artsen bij hem tuberculose vast en moest hij korte tijd in het Mustapha Ziekenhuis verblijven. Dit betekende het einde van zijn passie voor voetbal. Zijn oom en tante Acault, die een slagerij hadden aan de rue Michelet (nu rue Didouche-Mourad), brachten hem onder in de rue du Languedoc, waar hij van 1931 tot 1933 een kamer had. Gustave Acault introduceerde hem in de cultuur; in zijn correspondentie met Jean Grenier, zeventien jaar later, in februari 1946, betreurend de plotselinge dood van zijn oom, uitte Camus zijn dankbaarheid: "Hij was de enige man die me een beetje deed voorstellen wat een vader kon zijn." Deze vader was "een cultuurdoorgever", "een formidabele grondlegger van grote literatuur." Hij was werkelijk "de eerste weldoener in Camus' leven”, degene die hem naar cultuur en de ontwikkeling van zijn literaire vaardigheden leidde". Gustave Acault, anarchist, was tevens Voltairian en vrijmetselaar. Als slager van beroep hielp deze beschaafde man zijn neef in zijn behoeften en voorzag hem van een rijke en eclectische bibliotheek.
Camus nam allerlei baantjes aan, onder meer als privéleraar en automonteur en bij het Meteorologisch Instituut. Hij volbracht zijn licence de philosophie in 1935; in mei 1936 presenteerde hij succesvol zijn scriptie over Plotinus, Néo-Platonisme et Pensée Chrétienne voor zijn diplôme d'études supérieures.
Camus werd lid van de Franse Communistische Partij in 1934, waarschijnlijk meer omdat hij bezorgd was over de politieke situatie in Spanje (die uiteindelijk zou leiden tot de Spaanse Burgeroorlog) dan dat hij de Marxistisch-Leninistische doctrine verdedigde. De onafhankelijk-denkende Algerijnse Communistische Partij (PCA) werd in 1936 opgericht. Maar Camus deed mee met de activiteiten van Le Parti du Peuple Algérien, waardoor hij in de problemen kwam met zijn kameraden van de communistische partij. Het resultaat was dat hij van trotskisme werd beschuldigd en in 1937 uit de partij werd gezet.
Hij trouwde in 1934 met Simone Hie, die verslaafd was aan morfine. Ze scheidden wegens wederzijdse ontrouw. In 1935 richtte hij Théâtre du Travail (hernoemd Théâtre de l'Equipe, in 1937) op, dat standhield tot 1939. Van 1937 tot 1939 schreef hij voor de socialistische krant Alger-Républicain, onder meer een stuk over de armoedige woonomstandigheden van de Arabieren in Kabylië, wat hem waarschijnlijk zijn baan kostte. Van 1939 tot 1940 schreef hij kort voor een vergelijkbare krant, Soir-Républicain. Hij was uit het Franse leger ontslagen vanwege zijn ziekte.
In 1940 trouwde Camus met Francine Faure en begon hij te werken voor het tijdschrift Paris-Soir. In de eerste fase van de Tweede Wereldoorlog was Camus een pacifist. Hij maakte in Parijs de bezetting door de Wehrmacht mee, en was op 19 december 1941 getuige van de executie van Gabriel Péri, wat naar eigen zeggen zijn opstandigheid tegen de Duitsers kristalliseerde. Daarna verhuisde hij met de rest van de werknemers van Paris-Soir mee naar Bordeaux in 1942.
Francine Faure (1914-1979), werd moeder van zijn tweeling Catherine en Jean, geboren in 1945. Volgens hun dochter Catherine: "Ik weet alleen dat ze altijd van hem gehouden heeft. En van hem, denk ik het ook. Er waren andere vrouwen, en andere liefdes. Maar hij heeft haar nooit verlaten […] Ze vertelde me dat ze altijd van elkaar gehouden hadden, en dat het nooit middelmatig was geweest".
Albert Camus had verschillende buitenechtelijke affaires, waarvan de bekendste die met Maria Casarès (1922-1996) was, "de enige", die hij in 1944 ontmoette, de vertolker van zijn toneelstukken Le Malentendu en Les Justes. Een affaire die, vanwege het publieke karakter ervan, de depressie van Francine Faure zou hebben verergerd. Hij had ook een relatie met Patricia Blake (1925-2010), een jonge Amerikaanse studente, die hij in 1946 in New York ontmoette; met de actrice Catherine Sellers, die was uitgekozen om een non te spelen in zijn toneelstuk Requiem pour une nonne; en met Mette Ivers, een jonge Deense kunstenares en schilder, die hij in 1957 ontmoette op het terras van de Flore, terwijl hij in het gezelschap was van Albert Cossery en Pierre Bénichou.
Literaire loopbaan:
In 1935 begon hij te schrijven aan L'Envers et l'endroit. In 1941 voltooide hij zijn eerste gepubliceerde werken De vreemdeling en De mythe van Sisyphus, waarin hij existentialistische ideeën invoerde. Niet lang daarna keerde hij korte tijd terug naar Oran. Tijdens de Duitse bezetting voegde Camus zich bij een Franse verzetsgroepering genaamd Combat, die in het geheim een krant publiceerde met dezelfde naam. In die tijd kreeg Camus de bijnaam "Beauchard". Camus werd in 1943 redacteur van de krant. Toen de geallieerden Parijs bevrijdden, werd Camus geïnformeerd over de laatste gevechten.
Op 8 augustus 1945, twee dagen nadat de Enola Gay de eerste bom op Hiroshima had laten vallen, was hij een van de weinige westerse intellectuelen die het gebruik van de atoombom aan de kaak stelde in een redactioneel artikel gepubliceerd door Combat. Hij schreef met name: "De mechanische beschaving heeft zojuist haar ultieme graad van wreedheid bereikt. We zullen in de min of meer nabije toekomst moeten kiezen tussen collectieve zelfmoord of het intelligente gebruik van wetenschappelijke veroveringen […]. Geconfronteerd met de angstaanjagende perspectieven die zich voor de mensheid openen, zien we des te duidelijker dat vrede de enige strijd is die de moeite waard is om te voeren. Het is niet langer een gebed, maar een orde die van de volkeren naar de regeringen moet opstijgen, de orde om definitief te kiezen tussen hel en rede".
Hij verliet Combat in 1947, toen het een commerciële krant werd, en kwam in contact met Jean-Paul Sartre.
Na de oorlog maakte Camus deel uit van Sartres omgeving en bezocht hij regelmatig Café de Flore op de Boulevard St. Germain in Parijs. Camus toerde ook door de Verenigde Staten om lezingen te houden over het Franse existentialisme. Hoewel hij politiek links georiënteerd was, kreeg hij geen vrienden in de communistische partijen met zijn zware kritiek op de communistische stalinistische doctrine en vervreemdde hij uiteindelijk ook van Sartre met wie hij in 1952 brak.
Toen in 1949 zijn tuberculose terugkeerde, leefde hij 2 jaar in afzondering. In 1951 publiceerde hij L'Homme révolté, (De mens in opstand), een filosofische analyse van opstand en revolutie, waarmee hij zijn afkeer van het communisme verduidelijkte. Het boek zorgde voor veel controverse onder zijn collega's en tijdgenoten in Frankrijk en leidde tot de uiteindelijke breuk met Sartre. De kritische ontvangst maakte hem depressief en hij begon toneelstukken te vertalen.
Camus' kenmerkende bijdrage aan de filosofie was zijn idee van het absurde, dat inhield dat het leven geen betekenis of bedoeling heeft. Hij legt dit uit in De mythe van Sisyphus en nam het op in vele van zijn andere werken. Sommigen vinden dat Camus beter omschreven kan worden als een absurdist dan als een existentialist.
In de jaren vijftig spande Camus zich in voor de rechten van de mens. In 1952 stopte hij echter met zijn werk voor UNESCO wegens de toelating tot de VN van het door de dictator Generaal Franco geleidde Spanje. In juni 1953 was hij een van de weinige linkse intellectuelen die de methodes van de Sovjets bij het neerslaan van de arbeidersopstand in Oost-Berlijn bekritiseerden. In 1956 protesteerde hij tegen de nog veel ergere praktijken bij de opstand in Hongarije.
Hij handhaafde zijn pacifisme en verzette zich tegen de doodstraf overal in de wereld.
Het begin van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog in 1954 leidde tot een moreel dilemma voor Camus. Hij identificeerde zich aanvankelijk met de pied-noirs, zoals de Europese kolonisten genoemd werden, omdat hij er zelf een geweest was, en verdedigde de Franse regering. Deze zag Algerije niet als een van de vele koloniën, maar als een overzees Frans grondgebied. De opstand zou een integraal deel zijn van een nieuw Arabisch imperialisme, dat door Egypte werd geleid en als een anti-westers offensief werd gesteund door de Sovjet-Unie om Europa te omsingelen en van de Verenigde Staten te isoleren. Hoewel Camus een grotere Algerijnse autonomie of zelfs federatie goedkeurde, al dan niet in volledige onafhankelijkheid, geloofde hij dat de 'pied-noirs en de Arabieren in vrede konden samenleven. Tijdens de oorlog bepleitte hij een bestand dat de burgers zou sparen, maar dat door beide partijen als onzin werd verworpen. Hij werkte heimelijk voor gevangen genomen Algerijnen die de doodstraf onder ogen zagen.
Van 1955 tot 1956 schreef Camus voor het magazine L'Express. In 1957 werd hem de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend, officieel niet voor zijn roman La Chute (De val), het voorafgaande jaar gepubliceerd, maar voor zijn schrijven tegen de doodstraf in het essay Réflexions sur la Guillotine. (De guillotine werd destijds in Frankrijk nog gebruikt.) Toen hij met studenten van de Universiteit van Stockholm sprak, verdedigde hij zijn duidelijke inactiviteit in het Algerijnse vraagstuk en verklaarde dat hij ongerust was over wat er met zijn moeder kon gebeuren die nog in Algerije leefde. De Franse linkse intellectuelen gebruikten dit als een ander voorwendsel om hem te verketteren.
Camus overleed op 46-jarige leeftijd toen hij begin 1960 in een Facel Vega FV3B terugkwam van een lunch op het platteland. De auto, bestuurd door zijn vriend Michel Gallimard (neef van de uitgever Gaston Gallimard) in volle snelheid tegen een plataan reed. Albert Camus was op slag dood. Michel overleed enkele dagen later. Janine, Michel’s echtgenote, en Anne, hun dochter overleefden het ongeluk. Hun hond, Floc, verdween in de natuur. De resten van de auto waren verspreid over een tiental meters. Tussen de ravage vond men een nog intacte leren aktetas. Hierin bevonden zich 144 pagina’s van een autobiografisch manuscript met de titel ‘Le Premier Homme’. Francine Camus (de echtgenote van Albert) vond het ongepast om de tekst te publiceren vanwege het conflict dat gaande was in Algerije. Camus werd begraven op de begraafplaats van Lourmarin, Vaucluse, Provence-Alpes-Côte d'Azur, Frankrijk. Zijn nalatenschap wordt beheerd door zijn twee kinderen, Catherine en Jean, die de auteursrechten van zijn werk hebben. Vierendertig jaar gaan voorbij. Cathérine Camus, dochter van Albert en Francine, besluit het kolossale werk op zich te nemen om het bijna onleesbare handschrift van haar vaders manuscript te ontcijferen en in zijn ruwe vorm te publiceren (1994).
Absurdisme:
Camus wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het absurdisme, een filosofie die gerelateerd is aan het existentialisme. Volgens het absurdisme zijn mensen fundamenteel irrationeel en is het menselijk lijden het resultaat van vergeefse pogingen door individuen om reden of betekenis in een redeloos en zwijgend universum te vinden.
Camus beweerde dat de enige ware filosofische vraag die van zelfmoord was. Namelijk: zouden wij ons intensief bezig moeten houden met het leven of zouden wij ons eenvoudig moeten doden? Camus beargumenteerde dat historisch gezien de meeste mensen of geloofd hebben dat het leven zonder betekenis is en concludeerden ten gunste van zelfmoord, of een soort kunstmatige betekenis zoals godsdienst gecreëerd hebben om hun leven te vullen. Camus beweert dat er ook een derde optie is: wij kunnen realiseren dat het leven zonder betekenis is en niettemin onszelf in leven houden. Mensen die voor deze derde optie kiezen zijn absurde helden.
De Rebel, de Don Juan en de Artiest zijn drie figuren die Camus identificeert als absurde helden. Elk van deze mensen vindt betekenis in zijn of haar bezigheden/leven. Zij leven zo het voorbeeld van het Grieks mythologische figuur Sisyphus, die werd veroordeeld tot het voor eeuwig omhoog rollen van een kei op een heuvel, volledig bewust van het feit dat de kei simpelweg weer naar beneden zou vallen zodra hij zijn taak schijnbaar had beëindigd.
Werken:
Romans:
1937 - L'Envers et l'endroit
1942 - De vreemdeling (L'Étranger)
1947 - De pest (La Peste)
1956 - De val (La Chute)
1970 - De gelukkige dood (La Mort heureuse) (eerdere versie van De Vreemdeling, postuum gepubliceerd)
1995 - De eerste man (Le premier homme) (onvoltooid, postuum gepubliceerd in 1994)
Korte verhalen:
1957 - Koninkrijk en ballingschap (L'exil et le royaume), bestaat uit 6 korte verhalen: La Femme adultère, Le Renégat (ou Un esprit confus), Les Muets , L'Hôte, Jonas (ou L'Artiste au travail) et La Pierre qui pousse.
Toneel:
1944 - Caligula
1948 - L'État de siège.
1950 - De rechtvaardigen (Les Justes over anarchisme)
1959 - Les Possédés, bewerking van roman van Fjodor Dostojevski
Non-fictie:
1936 - Révolte dans les Asturies. In samenwerking.
1939 - Noces, essays en schetsen
1942 - De mythe van Sisyphus (Le Mythe de Sisyphe)
1947 - Réflexions sur la Guillotine
1948 - Lettres à un ami allemand onder pseudoniem Louis Neuville
1950 - Actuelles I, Chroniques 1944-1948
1953 - Actuelles II, Chroniques 1948-1953
1951 - De mens in opstand (L'homme révolté)
1954 - L'été (Essay, De zomer)
1957 - Réflexions sur la peine capitale, met Arthur Koestler
1958 - Chroniques algériennes, Actuelles III, 1939-1958
1962 - Carnets I, mai 1935-février 1942
1964 - Carnets II, janvier 1942-mars 1951
Albert Camus en Maria Casares
Correspondance 1944-1959, Editions Gallimard 2017
Nadat ze lang had geweigerd de liefdesbrieven van haar vader te publiceren gaf Catherine Camus toestemming voor de publicatie van de brieven die hij met Maria Casarès had uitgewisseld, waarvoor ze het voorwoord schreef en dat op 9 november 2017 in de boekhandels verscheen.
Op 19 maart 1944 ontmoetten Albert Camus (1913-1960) en Maria Casarès (1922-1996) elkaar in het huis van Michel Leiris, tijdens de beroemde voordracht-lezing van Pablo Picasso's Désir attrapé par la queue. De voormalige studente van het Nationaal Conservatorium voor Dramatische Kunst, oorspronkelijk afkomstig uit La Coruña (Galicië) en dochter van een voormalige president van de Raad van de Tweede Spaanse Republiek die in 1936 in ballingschap in Parijs verbleef, was toen pas tweeëntwintig jaar oud. Vloeiend Frans sprekend, begon ze haar acteercarrière in 1942 in het Théâtre des Mathurins, in de tijd dat Albert Camus L'Étranger (De Vreemdeling) en Le Mythe de Sisyphe (De Mythe van Sisyphus) bij Gallimard publiceerde. Albert Camus woonde toen alleen in Parijs, nadat de oorlog hem twee jaar lang had gescheiden van zijn vrouw Francine, die als lerares in Oran (Algerije) was gebleven. Gevoelig voor het acteerwerk, temperament en de schoonheid van de actrice, vertrouwde Albert Camus haar in juni 1944 de rol van Martha toe in zijn toneelstuk Le Malentendu. En tijdens de nacht van de landing in Normandië, na een feest bij hun vriend Charles Dullin, werden Albert Camus en Maria Casarès geliefden. De schrijver was voor de actrice "vader, broer, vriend, minnaar en soms zoon". Het einde van de oorlog, de terugkeer uit Algerije van Francine Faure, Camus' vrouw sinds 5 september 1945, en de geboorte van de tweeling Catherine en Jean, scheidde hen. Maria besloot een einde te maken aan hun relatie, die haar, gezien de burgerlijke staat van haar geliefde, geen toekomst leek te hebben. Ze had vervolgens een relatie met de Belgische acteur Jean Servais en daarna met een zekere Jean Bleynie, een man uit een familie van Bordeauxwijnboeren.
Maar precies vier jaar na hun eerste liefdesverklaring, op 6 juni 1948, ontmoetten Albert en Maria elkaar opnieuw, door een gelukkig toeval, op een Parijse boulevard; hun liefdesgeschiedenis werd in het geheim hervat, gepassioneerder dan ooit, en zonder onderbreking, tot de dood, door een auto-ongeluk, van de schrijver begin 1960. Gedurende al die jaren hielden Albert en Maria nooit op met elkaar te schrijven, vooral niet tijdens de lange weken van scheiding vanwege hun artistieke en intellectuele inzet, verblijven in het buitenland of familieverplichtingen. Tegen de achtergrond van hun openbare leven en creatieve activiteiten (boeken en conferenties voor de schrijver; tournees met de Comédie-Française en de TNP voor de actrice), onthult hun correspondentie, die tot nu toe ongepubliceerd is gebleven, de intensiteit van hun intieme relatie; ervaren in zowel gebrek en afwezigheid als in wederzijdse toestemming, het branden van verlangen, het genieten van gedeelde dagen, het samen werken en de zoektocht naar ware liefde, de perfecte formulering en de vervulling ervan. We wisten dat het werk van Albert Camus doordrongen was van de gedachte aan - en ervaring van liefde, tot en met de voorbereidende aantekeningen voor de roman Le premier homme (De Eerste Man). De publicatie van deze immense correspondentie onthult de hoeksteen van deze constante preoccupatie: liefde, onvermijdelijke liefde. Voor Albert Camus zou Maria Casarès "de Ware" zijn. Zij was misschien wel “de grote liefde van zijn leven”.
Albert zou, na zijn dood, de enige man blijven van wie Maria echt had gehouden: "Quand on a aimé quelqu'un, on l'aime toujours", vertrouwde Maria Casarès ons toe, lang na de dood van Albert Camus; "lorsqu'une fois, on n'a plus été seule, on ne l'est plus jamais". (“Als je van iemand hebt gehouden, houd je nog steeds van hem. Als je eenmaal niet alleen bent geweest, zul je nooit meer alleen zijn.”)





























































